Les 1: Slak, slak, kom je huisje uit

Bron: Leefwereld groep 4 Uitgeverij Jacob Dijkstra

Bewerking: Meester Rob van Obs Erasmus in Den Haag
-------------

Je hebt vast wel eens een slakkehuisje gezien. Heb je toen geroepen: "Slak, slak, kom je huisje uit?" En...kroop hij eruit?

Slakken zie je lang niet altijd. Maar als het buiten nat is, vaak wel. Kijk dan maar eens onder de struiken. Of in het natte gras. Daar zie je ze meestal zitten of heel langzaam kruipen.


Met hun huisje op hun rug. Want als er een hongerige vogel aankomt, kruipt de slak er gauw in. Hij kan er ook in slapen. Een slak heeft vier voelhoorntjes. Die kan hij intrekken als er gevaar is. Kijk maar eens wat er gebeurt als je ze aanraakt. De korte zijn de echte voelhoorntjes. Daarmee ruikt en voelt de slak.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de lange hoorntjes zitten piepkleine stipjes. Dat zijn de ogen. Slakken hebben dus ogen op steeltjes!!! Een slak is dol op slablaadjes. Zijn tong is net een rasp. Er zitten een heleboel scherpe tandjes op.





Daarmee schaaft de slak stukjes van de blaadjes. Slakken lopen heel anders dan de meeste andere dieren. Ze lopen op één voet. Je ziet duidelijk lichte en donkere golfjes. Ze bewegen net als een roltrap. Dat komt doordat de slak telkens zijn voet buigt en strekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo schuift hij vooruit. Al schuifend laat de slak een blinkend spoor na. Net zilver. Dat is het slijmspoor. Daarmee maakt de slak zijn pad glad. Slakken wonen in een huisje. Dat huisje is gemaakt van kalk. Ieder slakkehuisje ziet er anders uit. Slakken in een donkere tuin met veel schaduw hebben een donker huisje. Als een slak groeit, maakt hij zijn huisje een beetje groter.




Hij maakt er telkens een nieuw ringetje bij. De slak zoekt bescherming in zijn huisje. Hij kruipt erin als het droog is of als er gevaar dreigt. In de winter sluit hij zijn huisje af. Dan blijft hij erin tot de winter voorbij is. Hij houdt in zijn huisje een winterslaap.