Les 1: De afvaleters van het bos.

Bron: Methode Leefwereld van Jacob Dijkstra

Bewerking door meester Rob van OBS Erasmus in Den Haag
-------------

Het is herfst en het stormt. Met flinke stoten blaast de wind door het bos. Blaadjes dwarrelen overal in het rond. De bomen worden kaler en kaler. De blaadjes en takjes vallen op de grond. Wat een prachtig vloerkleed! Met rood, bruin en geel. Jammer dat het zo vaak regent. Al die mooie blaadjes worden nat en vies. In het bos ligt van alles op de grond. Er liggen veel bladeren, maar ook takken en vruchten. Je vindt er keutels van dieren. En kijk, daar ligt een dode muis. Al dat afval blijft niet liggen. Slakken, wormen en andere dieren ruimen het op. Deze diertjes eten afval. Schimmels groeien met pluizige draadjes in de grond. Kijk maar tussen de bladeren en in rottend hout. De schimmels ruimen ook afval op. We noemen dat verteren. Niet al het afval kan verteren. Alleen wat leeft of hééft geleefd, kan verteren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een echte afvaleter is de pissebed. Overdag zitten ze op donkere en vochtige plekjes. 's Nachts gaan ze op zoek naar rottende blaadjes. Oorwormen zijn ook nachtdiertjes. Ze zien er eng uit met die grote tangen. Maar je hoeft er niet bang voor te zijn.

Ze kunnen je er niet mee prikken. En ze kruipen ook niet in je oor. Ze verstoppen zich graag in bloemen. Daar smullen ze van. Ze lusten ook verrotte planten en zelfs dode insecten. Bij vochtig weer zie je ook veel naaktslakken. Ze hebben geen huisje. Daardoor kunnen ze gemakkelijk uitdrogen. Hun tong is heel ruw. Het lijkt wel schuurpapier. Ze schuren er stukjes van bladeren en paddestoelen mee af. Ze eten zelfs keutels op.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In vermolmd hout vind je vaak miljoenpoten. Ze hebben nog meer pootjes dan een duizendpoot. Geen miljoen, hoor. Tel ze maar. Als je er een ziet lopen, lijkt het net een golfje. In het bos wonen ook doodgravers. Deze kevers begraven dode dieren. Ze krabben de grond eronder weg. Dan leggen ze eitjes in het dier. Uit de eitjes kruipen larven. Die eten het dode dier van binnenuit op. Er zijn nog veel meer afvaleters. Regenwormen eten dorre bladeren. Aaskevers eten dode diertjes op. En mestkevers. eten zelfs poep. Al dat afval verdwijnt eigenlijk niet echt. Een deel wordt door de diertjes weer uitgepoept. Er blijven kleine kruimelige restjes over. De poep en de restjes samen noemen we humus. Het ziet er donkerbruin uit en het lijkt op aarde. Die humus is goede mest voor de planten. Die kunnen er weer van groeien. Zo wordt het afval van het bos weer nuttig gebruikt.