Les 2: Hebben dieren ook een jas?

Op 15 februari 2017 bewerkt door meester Rob van OBS Erasmus
-------------

Sommige dieren hebben een warme pels. Tussen die haren zit lucht. Lucht houdt de warmte vast. Vogels hebben een dik verenpak. De donsveertjes houden de warme lucht vast. Walvissen hebben een dikke speklaag. Wij hebben geen dikke vacht en ook geen speklaag. Alleen kleine, zachte haartjes. Daar kunnen we niet warm mee blijven. Wij hebben een extra jas nodig. Vogels zetten hun veren op als het koud is. Er kan dan meer lucht tussen komen. Zo blijven ze warm. Dieren met haren doen precies hetzelfde. Met hun haren recht overeind zien ze er dik uit. Als je het koud hebt krijg je soms kippevel. Er komen bobbeltjes op je gladde huid. Een kip uit de diepvries heeft ook zo'n vel. In elk bobbeltje zit een haartje. Die haartjes gaan recht omhoog staan. Net zoals bij dieren die het koud hebben. Maar bij ons helpt kippevel niet tegen de kou. Daarvoor hebben wij te weinig haartjes. Met een wollen trui word je wel warm.

 

 

 

 

 

 

 

Leer wordt gemaakt van de huid van dieren. Die huiden moeten eerst worden schoongemaakt. Het vlees en de haren moeten eraf. Dat zou maar bederven. Daarna gaan ze in een ton met water en looistof. Door de looistof veranderen de huiden in leer. Op de bovenkant van het leer zie je de nerven. Daar hebben de haren van het dier gezeten. Leer is heel sterk. We kunnen ons er goed mee beschermen. Er zijn ook dieren zonder haren of veren. Kikkers en padden hebben een kale huid. Deze huid beschermt niet tegen kou. Gelukkig hoeven kikkers niet warm te blijven, zoals wij. Als het buiten koud wordt, worden zij ook koud. In de winter kruipen ze in de modder. Daar wachten ze weer op het warme voorjaar.




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er zijn nog meer dieren met een kale huid. De huid van een slang bestaat uit schubben. Die liggen over elkaar heen als taaie dakpannen. Ze beschermen tegen uitdroging, niet tegen kou. Dat 'schubbenjasje' kan niet groeien, maar de slang wel. Daarom trekt de slang af en toe zijn jasje uit. We noemen dit vervellen. Onder de oude huid zit al een nieuwe huid. Alleen is die een maatje groter. Vissen hebben zachtere schubben. Die groeien met de vis mee. Ze beschermen niet tegen uitdrogen. Dat hoeft ook niet in het water. Om de schubben zit een laagje slijm. De schubben worden daardoor minder snel beschadigd. Een schildpad heeft ook een soort schubben. Zijn schild is heel hard en stevig. Bij gevaar kan hij er zich goed in verschuilen. Een egel beschermt zich met stekels. Als deze dieren gebruiken hun huid als bescherming. Niet tegen de kou, maar tegen andere dingen.