Les 1: Winterse rust

Een les uit de methode Leefwereld van Jacob Dijkstra

Bewerkt door meester Rob van OBS Erasmus in Den Haag
-------------

Heel wat dieren hebben de winter niet afgewacht. Veel vogels zijn weggetrokken naar warmere streken . Daar is nog genoeg voedsel te vinden. Ook sommige vlinders zoals de1. atalanta en de 2. kleine vos trekken weg. Toch zijn niet alle dieren verdwenen. Kijk 's morgens maar eens buiten als er 's nachts sneeuw is gevallen. De vele pootafdrukken van vogels en zoogdiertjes bewijzen dat het leven in de afgelopen nacht gewoon doorging. Ons lichaam heeft een vaste temperatuur van 37 graden. We noemen dat warmbloedig Vogels en zoogdieren zijn ook warmbloedig. Een roodborstje is van binnen 44 graden, 's zomers en 's winters! Bij een kikker of een vlieg is dat anders. Hun lichaamstemperatuur is ongeveer gelijk aan die van hun omgeving. Hun lichaamstemperatuur wisselt dus steeds. Dieren die zo'n wisseltemperatuur hebben, noemen we koudbloedig. De meeste warmbloedige dieren komen de winter wel door. Veel zoogdieren verwisselen in de herfst en lente van pels. Met hun dikke wintervacht kunnen ze goed tegen de kou. Vogels ruien in de herfst. Ze krijgen dan meer donsveren: die houden de lucht goed vast. Veel vogels en zoogdieren zetten hun veren en haren op, zodat er meer lucht tussen kan. Op die manier kunnen ze hun lichaamstemperatuur beter gelijk houden, ook als hun omgeving kouder wordt. Vogels zoeken 's nachts vaak beschutting bij elkaar. Soms kruipen er een heleboel mezen bij elkaar in een nestkastje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veel zoogdieren hebben in de herfst voor een winternest gezorgd. Eekhoorns hebben hun nest in een boom. Het is lekker warm bekleed met mos en gras. Andere dieren hebben hun hol onder de grond, zoals vossen en dassen. Veel dieren verlaten in de winter hun nest of hol niet meer. Ze slapen veel en zijn niet erg actief. Het is geen winterslaap; we noemen het een winterrust. Door weinig te bewegen, doen ze aan energie-besparing. Toch moeten ze er zo nu en dan op uit om wat voedsel te zoeken. Om warm te blijven moeten ze genoeg eten, maar dat is 's winters soms moeilijk te krijgen. Bij gebrek aan groene planten knagen konijnen en reeŽn dan aan takken en stammen. Eekhoorns hebben in de herfst, toen er nog volop voedsel was, een wintervoorraad aangelegd. Ook hebben ze toen zoveel gegeten, dat ze nu kunnen teren op een dikke vetlaag. Die vetlaag vormt bovendien een extra bescherming tegen de kou. Sommige warmbloedige dieren, zoals 3. vleermuizen en 4. egels, houden een winterslaap. In die tijd daalt hun temperatuur van 40 graden tot 8 graden celsius. Hun hele lichaam suddert daardoor 's winters op een laag pitje. Ook hun ademhaling gaat steeds langzamer, tot zelfs eenmaal per zes minuten. Het hart klopt eveneens heel langzaam. Op die manier wordt er ook weinig voedsel gebruikt en kunnen ze een winter lang van hun vetlaag leven. In het voorjaar, als ze wakker worden, zijn ze sterk vermagerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de temperatuur te veel zakt, worden ze wakker. Winterslapers hebben een ingebouwde thermostaat. Ze beginnen dan over hun hele lijf te rillen en zoeken een warmer plekje op. Door dat waarschuwingssysteem kunnen ze niet bevriezen tijdens hun winterslaap. Egels zoeken in de herfst een plekje voor hun winternest. In dit nest van bladeren slapen ze de hele winter. Ze liggen helemaal in elkaar gerold. Vleermuizen overwinteren in een holle boom, maar ook wel in kelders en schuren. Sommige trekken zelfs naar de grotten in Zuid-Limburg. Insekten, vissen en reptielen en amfibieŽn zijn koudbloedige dieren. Hoe kouder het wordt, hoe trager dit soort dieren wordt. Tenslotte kunnen ze zich niet meer bewegen. Ze verstarren en verstijven. Het lijkt of ze dood zijn. Voor het zover is, zoeken ze een veilig plekje waar ze niet kunnen bevriezen of uitdrogen. Kikkers en palingen kruipen in de modder van sloten en plassen. Salamanders en 5. padden kruipen onder stenen en in holletjes in de grond. Insekten en andere kleine beestjes kruipen diep de grond in. Ook de schors van en boom of en dikke laag dode bladeren is voor hen een prima plek om te overwinteren. Schuurtjes, zolders en kelders zijn eveneens erg in trek als winterschuilplaats. Toch overleven veel insekten de winter niet. Gelukkig hebben veel insekten in de zomer al voor nageslacht gezorgd. Daarom kun je overal eitjes, larven en poppen van insekten tegenkomen. Die overleven zelfs strenge vorst. Als het in het voorjaar weer warmer wordt, komen die eitjes en poppen uit.