Les 2: Vroege bloeiers.

Update 17 februari 2017 door meester Rob

uit methode Leefwereld Uitgeverij Jacob Dijkstra
-------------

Heerlijk, die eerste warme dagen in het voorjaar. Je wordt er zo vrolijk van.
Datzelfde voorjaar kan ook heel wat ruiger uitpakken.
Wat dacht je van het volgende spreekwoord: "Aprilletje zoet, geeft nog wel eens een witte hoed."
Die tere bloemen in het vroege voorjaar moeten daar maar tegen kunnen!
Dat vroege bloeien heeft ook zijn voordelen. De krokusjes en sneeuwklokjes bloeien soms al in januari of februari.
In die maanden worden de dagen snel langer. Ze profiteren van dat licht.
Het gras en andere planten zijn nog in diepe winterrust. Tegen de tijd dat het gras gaat groeien, zijn de krokusjes en sneeuwvlokjes al uitgebloeid.
Met hun bladeren en wortels hebben ze reservevoedsel gemaakt en dat in nieuwe bolletjes gestopt.
Half april worden ze overwoekerd door het gras.
De bolgewasjes gaan in zomerslaap. In de winter gaan ze weer groeien om er in het voorjaar vroeg bij te kunnen zijn.
Ook de tulpen komen in bloei te staan. Andere planten doen het ongeveer net zo.
Zuring en paardenbloemen hebben een dikke penwortel met reservevoedsel.
Zij zijn er in het voorjaar ook vroeg bij. De bosanemoon heeft onder de grond wortelstokken met zijn voorraadje erin.
Al deze voorjaarsbloeiers starten in het voorjaar met behulp van een voorraadje voedsel dat ze het jaar ervoor al hebben klaargemaakt.
Er zijn nog meer van die snelle jongens.
Langs sloten en op vochtige plekken bloeit vroeg in het jaar het speenkruid met gele sterretjes.
In het bos staan tussen de kale bomen de bosanemonen te stralen en op ruige plekjes bloeit al vroeg het klein hoefblad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als het 's nachts gaat vriezen of als de maartse buien de grond striemen, vouwen de bloemen zich dicht en laten hun kopjes hangen.
Net alsof ze hun kraag opzetten tegen het slechte weer.
Ook bomen bloeien al vroeg in het voorjaar. Bij veel bomen, zoals de iep en de esdoorn, vallen de bloemen bijna niet op.
Je loopt er zo aan voorbij. De katjes van de hazelaar en de els zijn veel duidelijker. Toch zijn dat ook maar kleine bloempjes.
Bij fruitbomen en sierprunus is dat heel anders. Die zitten in het voorjaar vol prachtige bloesem.
Uit bloemen ontwikkelen zich zaden. Die zorgen ervoor dat plantensoorten zich kunnen uitbreiden.
Die voortplanting is heel belangrijk. Planten doen er veel moeite voor. Om die zaden te ontwikkelen, moet de bloem bestoven worden.
Planten kunnen door de wind of door insekten worden bestoven.
Als je van de wind gebruik maakt, moet je enorm veel stuifmeel maken. Het hangt immers van het toeval af of het ergens goed terecht komt.
Als je insekten aan het werk zet, hoeft dat niet.
De insekten worden gelokt door mooie kleuren en lekker geurende nectar.
Dat eten ze op, maar ondertussen zitten ze onder het stuifmeel.
Als ze naar een andere bloem vliegen om ook daar van de nectar te snoepen, brengen ze met hun bestoven pak het stuifmeel van de ene naar de andere plant.













 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Heel vroeg in het voorjaar is de kans echter groot dat de insekten door het slechte weer lekker verstopt blijven zitten.
Van de bestuiving komt dan natuurlijk niets terecht.
De vroege voorjaarsbloeiers hebben daar rekening mee gehouden. Er zijn maar weinig vroege voorjaarsbloeiers die door insekten bestoven worden.
De katjes van hazelaar en els worden bestoven door de wind.
We noemen ze windbloeiers.
Alleen de wilg laat zijn katjes door hommels en bijen bestuiven, maar die insekten zie je ook al vroeg in het voorjaar.
Andere planten wachten de bestuiving niet af.
Die zorgen op een andere manier voor hun voortplanting.
Bollen maken nieuwe bolletjes rondom de oude bol. Dat noemen we klitsers.
Speenkruid maakt in de oksels van zijn bladeren kleine knolletjes met daarin verstopt een compleet plantje.
Die knolletjes worden door de regen weggespoeld en kiemen in het voorjaar snel tot een nieuw speenkruidje.
Elk voorjaar ontkiemen er ook planten uit zaden. Uit een zaadje groeit eerst een worteltje, daarna een stengeltje met bladeren.
Als het plantje is gegroeid, komen er pas bloemen aan, maar dan is het al volop zomer.
Die bloemen zorgen vervolgens weer voor het zaad. Veel planten gaan daarna dood.
We noemen ze eenjarige zaadplanten.
Er zijn ook planten met een tussenoplossing.
Ze maken wel zaden. Die zaden kiemen echter al in de zomer en groeien uit tot een rozetje.
Zo overwinteren ze.
In het voorjaar gaan ze dan snel groeien en bloeien.
Ze bloeien net vr de grote massa van eenjarige zaadplanten.
De pinksterbloem is een van hen.
Deze planten noemen we tweejarig. Iedere plant kiest dus niet allen zijn eigen plek, maar ook zijn eigen tijd.